Onlangs werd ik via cliënten geconfronteerd met een last onder dwangsom.

Omschrijving situatie

Op het perceel van mijn cliënten zijn deeltjes asbest aangetroffen. Naar alle waarschijnlijkheid afkomstig van het aangrenzende perceel waar bebouwing aanwezig is welke asbest bevat. Ook op dat perceel zijn asbestdeeltjes aangetroffen. Zowel mijn cliënten als de eigenaar van het naastgelegen perceel met de bebouwing worden door de gemeente op dezelfde wijze aangeschreven.

Inhoud last onder dwangsom

De last was gebaseerd op de Woningwet, het Bouwbesluit en de Wet milieubeheer. In de last was bepaald dat cliënten een asbestinventarisatie-onderzoek moesten laten uitvoeren door een daartoe gecertificeerd bedrijf. Uit het inventarisatierapport moet dan blijken waar het asbesthoudende materiaal in het gebouw alsook op de grond aanwezig is. Binnen 2 weken moet het onderzoek er liggen. En indien dan blijkt dat het rapport deugdelijk is én dat er asbest aanwezig is, dient dit binnen 5 weken te worden verwijderd. Dit op straffe van dwangsommen van € 5000. Aldus de last.

Namens cliënten heb ik het besluit in bezwaar aangevochten, en mede gezien de korte begunstigingstermijn, een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. In een dergelijke zaak waarbij de last onder meer is gebaseerd op overtreding van artikel 1.1a van de Wet milieubeheer, is de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State de bevoegde rechterlijke instantie.

Bezwaren

In bezwaar heb ik namens cliënten onder meer aangevoerd dat de cliënten

  • niet als overtreder kunnen worden aangemerkt,
  • zij niet in de positie zijn om onderzoek te laten doen op een perceel dat niet hun eigendom is,
  • het niet in hun macht ligt om de overtreding te beëindigen en
  • de begunstigingstermijn onredelijk kort was.

In feite heb ik dus gesteld dat zij niet kunnen voldoen aan de last.

Overwegingen uitspraak

Tijdens de zitting werd al snel duidelijk dat de voorzieningenrechter van mening was dat het verzoek om een voorlopige voorziening moet worden toegekend. De rechter stelde onder meer dat:

  1. Gelet op hetgeen in bezwaar en in het verzoek om voorlopige voorziening is aangevoerd, en hetgeen het college daarover ter zitting heeft verklaard, het maar de vraag is of de opgelegde last onder dwangsom rechtmatig is en dus in bezwaar in stand zal blijven.
  • Dat de last er mede toe strekt om een asbestinventarisatie-onderzoek te laten uitvoeren in de op het perceel aanwezige loods en om het aanwezige asbest daar te verwijderen. Verzoekers zijn geen eigenaar van de loods en hebben daarom ook geen zeggenschap over de loods. Dat betekent dat zij het niet in hun macht hebben aan dit gedeelte van de last te voldoen, zoals het college ter zitting ook heeft erkend.
  • Zolang de bron van de asbestvervuiling aanwezig is, acht de voorzieningenrechter het niet onaannemelijk dat zich na het voldoen aan de last een herhaling van de overtreding zal voordoen, die verzoekers niet zelf kunnen voorkomen.

Hier valt dus uit af te leiden dat de rechter ook van mening is dat mijn cliënten geen asbestinventarisatieonderzoek kunnen laten uitvoeren op het perceel dat bij een derde in eigendom is. En dat zolang de bron van de vervuiling aanwezig is, het opruimen en daarmee voldoen aan een gedeelte van de last niet automatisch leidt tot een einde van het probleem.

Conclusie

In deze kwestie is de last gericht aan mijn cliënten onuitvoerbaar en onredelijk. Zij kunnen de last voor een gedeelte niet uitvoeren. En indien zij wel het asbest op hun eigen perceel laten verwijderen is daar niet de zekerheid dat die situatie zich opnieuw voordoet.

Een juiste omschrijving van de last onder dwangsom luistert dus nauw en kan dus aanleiding zijn voor een succesvolle bezwaar- of beroepsprocedure.

Vervolg

Overigens is het probleem hier nog niet mee opgelost. Daarom heb ik de gemeente te kennen gegeven graag met haar in overleg te treden om op een doelmatige manier alsnog tot een oplossing te komen.  Een afspraak volgt!

Vindplaats uitspraak: https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/@114681/201901550-1-a1/

Vragen, opmerkingen, rechtsbijstand nodig?

Rob Scholten

De Bestuursrechtjurist

april 2019